Lastendruk corporaties loopt verder op

Nieuws Nieuws · 13 januari 2022
Expert
Masha Siebers
Masha Siebers
Belangenbehartiger

Uit een recent onderzoek van Aedes blijkt opnieuw dat de belastingdruk voor corporaties hoog is. De vennootschapsbelasting (Vpb) die corporaties over opbrengsten uit niet-DAEB én DAEB afdragen, is sinds 2019 aangescherpt door de renteaftrekbeperking uit de ATAD1.

In 2019 heeft Aedes een uitgebreid onderzoek gedaan naar de gevolgen van ATAD (en de gehele lastendruk van de Vennootschapsbelasting op woningcorporaties). Uit dit onderzoek bleek dat corporaties tegen een veel  hogere belastingdruk aan zouden lopen dan uit eerdere ramingen van het Kabinet naar voren kwamen.

Dit waren ramingen die destijds door de minister en staatssecretaris van Financiën zijn gecommuniceerd bij invoering van de ATAD.  De overheid heeft inmiddels betere inzichten in de ontwikkeling van de Vpb, maar nog steeds liggen de lasten hoger dan verwacht.

Kijk ook eens bij

Vervolgonderzoek

In 2021 heeft Aedes dit onderzoek herhaald. Wederom zijn corporaties gevraagd om een uitgebreid rekenmodel in te vullen. Corporaties die opgeteld 58% van alle verhuureenheden beheren hebben hun financiële cijfers ingevuld.
Het onderzoek laat zien dat de Vpb-last verder oploopt tot een bedrag van €835 miljoen in 2023. ATAD kost de sector jaarlijks € 275 miljoen, door een bedrag van €1,1 miljard aan niet-aftrekbare rente. Corporaties zijn echter aangewezen op deze manier van financiering als ze willen investeren in nieuwbouw.

Mogelijkheid tot uitzondering

Aedes vraagt het kabinet kritisch te kijken naar het huidige fiscale regime voor de volkshuisvesting. Naast de vraag of corporaties wel de organisaties zijn waar winstbelasting moet worden geheven, is op zijn minst een uitzondering voor ATAD op zijn plaats. Corporaties zijn namelijk aangewezen op financiering door middel van leningen om haar maatschappelijke taken uit te kunnen voeren. Een uitzondering kan op verschillende manieren worden vormgegeven: een standalone-vrijstelling, de vrijstelling voor langlopende openbare infrastructurele projecten of een vrijstelling specifiek voor woningcorporaties (een uitzondering op een uitzondering).