De gemiddelde netto huurquote – het deel van het besteedbaar inkomen dat wordt uitgegeven aan de netto huur – daalde van 18,7% naar 18,4%. De gemiddelde woonquote, waarin ook de overige woonlasten meetellen, ging van 27,7% naar 27,2%. De gemiddelde huur nam weliswaar toe, maar daar stond tegenover dat huishoudens meer huurtoeslag ontvingen en de inkomens stegen. De gemiddelde energielasten van corporatiehuurders bleven ongeveer gelijk.
Een kanttekening is dat het aandeel huishoudens met een betaalrisico in de corporatiesector is toegenomen van 3,3% in 2023 naar 4,9% in 2024. Dit zijn huishoudens die onvoldoende inkomen hebben om de huur, de overige woonlasten en andere uitgaven te betalen. De toename komt vooral door het wegvallen van de energietoeslag voor de laagste inkomens in 2024. Tegelijkertijd ligt het aantal huishoudens met een betaalrisico in 2024 nog altijd ruim onder dat van enkele jaren geleden. Dat komt onder meer door inkomensstijgingen, verduurzaming van woningen, een hogere huurtoeslag, de huurbevriezing in 2021 en de eenmalige huurverlaging in 2023.
Grote verschillen tussen groepen huishoudens
De LMW geeft ook inzicht in de verschillen tussen groepen corporatiehuurders. Zo geven alleenstaanden tot de AOW-leeftijd ongeveer 32% van hun besteedbaar inkomen uit aan de totale woonlasten; bij stellen met kinderen is dat zo'n 20%. Ook tussen inkomensgroepen zijn de verschillen groot: huurders die behoren tot de 20% laagste inkomens van Nederland zijn gemiddeld ruim 32% van hun inkomen kwijt aan woonlasten, terwijl dat bij de hoogste inkomens 14% is. De verschillen tussen huurprijsklassen zijn juist veel kleiner. Deze cijfers zijn in de LMW ook per regio en gemeente te bekijken.
Hogere woonlasten in de private huursector
In de monitor zijn nu ook cijfers over de huurprijzen in de private huursector opgenomen. Omdat voor een groot deel van deze woningen geen huurprijzen uit registraties bekend zijn, zijn de cijfers gebaseerd op schattingen, onder meer op basis van het WoonOnderzoek Nederland 2024, de CBS Huurenquête en de Woonbase. De gemiddelde kale huur in de private huursector lag eind 2024 op € 1.075. In gemeenten in het westen en midden van het land liggen de gemiddelde huurprijzen duidelijk hoger dan in andere regio's. Huurders in de private huursector besteden gemiddeld 37,2% van hun besteedbaar inkomen aan de totale woonlasten. Dat is duidelijk meer dan in de corporatiesector, maar wel een lichte daling ten opzichte van 2023.
Doorstroming onder druk
De LMW geeft daarnaast inzicht in de mutatiegraad: het percentage woningen dat in een bepaald jaar vrijkomt voor nieuwe bewoners. In de corporatiesector bleef de mutatiegraad ongeveer gelijk (7,3%), terwijl in de koopsector de relatief lage mutatiegraad heel licht toenam, tot 4,5%. Er zijn wel duidelijke verschillen tussen gemeenten: in de corporatiesector ligt de gemiddelde mutatiegraad in het noorden en oosten van het land hoger dan in het westen en midden. Bij private huurwoningen daalde de mutatiegraad, van 18,1% naar 17,2% in 2024. Die daling hangt samen met de stagnerende doorstroming op de woningmarkt.
Het dashboard van de LMW laat zien hoe betaalbaar en beschikbaar sociale en particuliere huurwoningen zijn in alle Nederlandse gemeenten. Gemeenten, corporaties en huurders kunnen de cijfers gebruiken bij het maken van lokale prestatieafspraken.
De Lokale Monitor Wonen verschijnt sinds 2016 en is een initiatief van Woonbond, Aedes, VNG, G4 en G40.
Door nieuwe CBS-regels over herleidbaarheid moeten woningcorporaties voortaan individueel toestemming geven voor de publicatie van bepaalde gegevens in de Lokale Monitor Wonen. Het gaat hierbij niet alleen om nieuwe of andere gegevens, maar ook om eerder gepubliceerde cijfers.
De nieuwe regels zijn kort voor de publicatie van deze editie van de Lokale Monitor Wonen ingevoerd. Hierdoor was er te weinig tijd om alle benodigde toestemmingen op te halen. In deze editie ontbreken daarom sommige cijfers op wijk- en gemeenteniveau.