Verduurzaming

Nationale prestatieafspraken: Verduurzaming

Experts
Anne Leeuw
Anne Leeuw
Belangenbehartiger Verduurzaming
Anne van Stijn
Anne van Stijn
Adviseur Verduurzaming

De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een complexe opgave die tot 2050 veel vraagt van gemeenten, corporaties en huurders. Partijen hebben elkaar nodig om de verduurzamingsopgave te realiseren op zo’n manier dat iedereen er uiteindelijk voordelen van heeft. Het uiteindelijke doel van de verduurzamingsopgave is om te zorgen dat er geen CO2-uitstoot meer in de gebouwde omgeving is in 2050. Daartoe zullen alle woningen op termijn van het aardgas moeten en op een andere bron moeten overstappen voor verwarming en warm water. Bij verduurzaming wordt ook de kwaliteit en het comfort van de woning verbeterd.

 

  • Corporaties lopen op dit moment al voorop in de verduurzamingsopgave. Zij hebben hun totale voorraad op een gemiddeld energielabel B2 en hebben relatief gezien minder slechte labels dan andere verhuurders. Bovendien kunnen corporaties door hun omvang en schaalmogelijkheden een belangrijke startmotor zijn voor de warmtetransitie in de wijken waar zij veel bezit hebben. Dat neemt niet weg dat er tot 2030 een grote opgave ligt die financieel en in de uitvoering veel van corporaties, gemeenten en huurders vraagt.
     
  • Het is essentieel dat alle partijen op de woningmarkt meedoen aan de energietransitie. Naast corporaties moeten dus ook VvE’s, eigenaar-bewoners, particuliere verhuurders en beleggers in actie komen. Daartoe verbetert de minister voor VRO het handelingsperspectief bij de verduurzaming voor deze groepen via toegankelijke informatie, ontzorging, subsidies en financiering. In het Programma Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving is de volledige inzet geschetst. Dit raakt direct aan de opgave van corporaties wanneer er sprake is van VvE’s waarvan zowel particulieren als corporaties lid zijn.
     
  • Corporaties en Rijk stimuleren het verlagen van de milieudruk bij renovaties, stimuleren het verbeteren van milieuprestaties bij nieuwbouw en bevorderen circulaire- en industriële bouw en klimaat adaptief bouwen, in balans met de kosten van de renovatie of de bouw.
Kijk ook eens bij
Kijk ook eens bij

450.000 aardgasvrije woningen

  • In het Klimaatakkoord is afgesproken dat tot en met 2030 1,5 miljoen bestaande woningen via de wijkgerichte aanpak verduurzaamd worden. Corporaties zijn verantwoordelijk voor hun deel hiervan. De wijkgerichte aanpak vindt plaats onder regie van gemeenten, en steunt in belangrijke mate op de transitievisie Warmte die elke gemeente sinds2021 heeft. De transitievisie Warmte beschrijft welke alternatieve warmtebronnen ingezet worden in welke wijken, en in welk tempo wijken van het aardgas af gaan.
     
  • Corporaties staan voor de opgave om uiterlijk in 2030 450.000 bestaande woningen aardgasvrij te maken. Zij doen dit als onderdeel van de wijkgerichte aanpak, waarbij gemeenten in eerste instantie aan zet zijn voor het draagvlak voor aardgasvrije wijken bij alle inwoners. Corporaties delen met gemeenten actief hun kennis over het bereiken van draagvlak.
     
  • Om 450.000 aardgasvrije bestaande woningen te kunnen realiseren in 2030, is het voor corporaties noodzakelijk uiterlijk in 2024 zekerheid te hebben vanuit gemeenten over de uitvoering van de transitievisie Warmte. De transitievisie Warmte en de daarbij behorende uitvoeringsplannen zijn voor corporaties en huurders een onmisbaar startpunt voor hun verduurzamingsinzet, omdat het mede bepaalt welke keuzes tot 2030 verstandig zijn en of het bijvoorbeeld mogelijk en wenselijk is een hybride systeem te installeren vooruitlopend op het aardgasvrij maken op langere termijn.
     
  • Het streven is dat alle gemeenten voortvarend starten met de uitwerking van hun transitievisies Warmte en deze in 2024 zoveel als mogelijk hebben uitgewerkt in uitvoeringsplannen om de doelen voor 2030 te behalen. Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie zal gemeenten hierbij ondersteunen en de voortgang monitoren. 
     
  • In 2024 zullen Rijk, gemeenten en corporaties op basis van de op dat moment vastgestelde transitievisies Warmte en uitvoeringsplannen beoordelen of het hiermee haalbaar is om de 450.000 bestaande woningen van corporaties in 2030 aardgasvrij te maken (van de in totaal 1,5 miljoen bestaande woningen). Indien dat niet het geval is, worden door partijen in 2024 nadere afspraken gemaakt.
     
  • Om gemeenten voldoende instrumenten in handen te geven om de aardgasvrije wijken te realiseren, wordt het wetsvoorstel Wet gemeentelijk instrumentarium warmtetransitie door de minister voor VRO voorbereid, met als beoogde inwerkingtredingsdatum 1 januari 2024.
     
  • Er wordt door het Rijk een financieringsinstrument in overleg met medeoverheden uitgewerkt gericht op de verlaging van de onrendabele exploitatie van warmtenetten. Dit instrument beoogt de mogelijkheden voor inzet van warmtenetten als kosteneffectieve oplossing voor de eindgebruiker, waaronder woningcorporaties, te vergroten.

Isoleren en uitfaseren slechte labels

  • De ambitie van het kabinet is dat er in 2030 in totaal 1 miljoen huurwoningen toekomstklaar geïsoleerd zijn. De Standaard voor woningisolatie geldt als referentie voor toekomstklaar. De Standaard geeft aan wanneer een woning voldoende geïsoleerd is zodat deze - voor wat betreft naoorlogse woningen - verwarmd kan worden met een temperatuur van 50 graden zonder dat de woning opnieuw aangepakt hoeft te worden. Dit betreft zowel de isolatie, kierdichting als ventilatie.
     
  • In het algemeen dient deze referentie als een minimum te worden opgevat. Om evenwel ondoelmatige investeringen tot en met 2030 te voorkomen, hoeven woningen die ook met andere aanpassingen (van bijvoorbeeld het warmteafgiftesysteem) kunnen worden verwarmd met een temperatuur van 50 graden niet alsnog tot deze standaardstandaard geïsoleerd te worden.
     
  • Van het brede doel van het kabinet om 1 miljoen huurwoningen toekomstklaar te isoleren, is de opgave voor de corporaties om 675.000 bestaande woningen toekomstklaar te isoleren. Ook sloopnieuwbouw is hier onderdeel van. De Standaard voor woningisolatie geldt als referentie voor het niveau van isolatie voor woningen die met een temperatuur van 50 graden worden verwarmd. Het is aan corporaties om te bepalen welke woningen voor 2030 toekomstklaar worden geïsoleerd. In de praktijk zal een deel van de 450.000 aardgasvrije woningen ook direct toekomstklaar worden geïsoleerd. Dit zal het geval zijn als woningen all-electric worden gemaakt, of als de woningen voor 2030 al worden voorbereid op een lage temperatuurwarmtenet.
     
  • Deze opgave en de Standaard als referentie worden in 2025 geëvalueerd, in lijn met de afspraak uit het Klimaatakkoord. Voor de evaluatie zijn de praktische haalbaarheid, de doelmatigheid, het tempo van de verduurzaming en de effecten op comfort voor huurders relevant. Op basis van deze evaluatie zal worden bezien of dit tot aanpassingen in de opgave dient te leiden.
     
  • De opgave om 675.000 woningen toekomstklaar te isoleren zal in de praktijk waarschijnlijk samen worden opgepakt met de bestaande afspraak om versneld alle sociale huurwoningen van de corporaties met een E, F en G-label uit te faseren. In de afspraken tussen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en Aedes over de verlaging van de verhuurderheffing per 1 januari 2022 is afgesproken dat de corporatiessector uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector heeft laten verdwijnen (op dit moment ca. 250.000), met uitzondering van gemeentelijke, provinciale en Rijksmonumenten en voor sloop aangemerkte woningen, en onder voorbehoud van instemming van 70% van de huurders en instemming van de eventuele VvE. Ook voor het uitfaseren van woningen met een E, F, en G-label geldt dat het aan corporaties is om te bepalen tot welk niveau zij deze verduurzamen.
     
  • Uit een recente analyse blijkt dat het nieuwe stelsel met de NTA8800 en de labelklassenindeling slechter uitpakt voor kleine woningen dan het oude stelsel met NEN7120/NV en labels op basis van de Energie-Index (EI). Er is duidelijkheid over de oorzaken hiervan, maar een gedragen oplossing moet nog worden gevonden. Daarom wordt voor deze woningen het ‘oude’ label op basis van de EI aangehouden bij het uitfaseren van de EFG-labels, totdat een gedragen oplossing is vastgesteld en geïmplementeerd.
     
  • Het voornemen van het kabinet is om per 2030 aanvullende wet- en regelgeving in te voeren die de uitfasering van alle huurwoningen met een E, F en G-label garandeert3 , of een vergelijkbaar effect sorteert. Vooruitlopend op deze normering in 2030 zal worden uitgewerkt hoe huurders in slecht geïsoleerde woningen (in het gereguleerde segment) in de huur gecompenseerd worden voor hun relatief hoge energielasten. Daarbij wordt ook gekeken naar mogelijke aanpassingen van het woningwaarderingsstelsel. Deze maatregelen worden nader onderzocht om de juridische en financiële gevolgen voor partijen in beeld te brengen. Deze maatregelen mogen de opgave van de corporaties en het feit dat zij zich al gecommitteerd hebben aan een snelle uitfasering van E, F en G-labels niet negatief beïnvloeden.
     
  • Het kabinet bereidt een verplichting voor om vanaf 2026 een hybride warmtepomp of een ander duurzaam alternatief te plaatsen op het moment dat de cv-ketel moet worden vervangen. Corporaties hebben zich er al aan gecommitteerd om in alle woningen met label D of beter waar de cv-ketel moet worden vervangen, de cv-ketel in principe te vervangen door een duurzamer alternatief. Uitzonderingen hierop zijn bijvoorbeeld woningen die als gevolg van de transitievisie binnen tien jaar na vervanging van de cv-ketel op een warmtenet aangesloten moeten worden. Zodoende gaan corporaties vanaf 2023 al werken in de geest van de aangekondigde verplichting. Voor hybride warmtepompen is vanuit het Rijk subsidie beschikbaar vanuit de ISDE-regeling waar ook corporaties gebruik van kunnen maken.
     
  • Continuïteit op lange termijn (richting 2050) in regelgeving is belangrijk. Bij een wijziging van rekenmethodiek (vanuit de herziening van de EPBD4 ) zullen de bovengenoemde afspraken opnieuw tegen het licht gehouden worden om te beoordelen welk effect deze wijziging heeft.
     
  • De minister voor VRO blijft zich inzetten op het gebied van voorlichting op het gebied van isolatie. Ook komt er voorlichting over de Standaard richting professionele partijen zoals corporaties en de bouwsector.
     
  • Gelet op de capaciteit in de bouw is het belangrijk dat de aantallen te verduurzamen woningen (naar de Standaard, aardgasvrij of tot een andere mate van verduurzaming) vaker gebundeld in de markt worden gezet. Dit heeft als voordeel dat hierop door de ontwerp-, bouw-, en technieksector kan worden geanticipeerd en door de markt in kan worden geïnvesteerd, zodat die aantallen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd – tegen lagere kosten en met een verminderde druk op de arbeidscapaciteit. In het kader van lokale prestatieafspraken worden corporaties aangemoedigd zich actief in te zetten voor vraagbundeling en daarbij de samenwerking op te zoeken met het ondersteuningsprogramma versnelling verduurzaming woningen en de subsidieregeling voor vraagbundeling die door de minister voor VRO worden opgezet.

Betrokkenheid huurders

  • Verduurzaming van een woning is vaak een ingrijpende gebeurtenis. Niet zelden zal een huurder tijdelijk de woning moeten verlaten en hoewel de woning na de verduurzaming in principe comfortabeler is en de energielasten lager zijn, is hiervoor soms ook een gedragsverandering van de huurder nodig.
     
  • Op dit moment geldt dat corporaties voordat zij een verduurzamingsproces mogen starten een redelijk voorstel aan huurders moeten doen. In de praktijk wordt een voorstel redelijk geacht als 70% van de huurders hiermee heeft ingestemd. Dit borgt dat corporaties met een goed plan komen en dat huurders betrokkenheid hebben bij de verbeteringen die in hun woningen worden aangebracht.
     
  • De verduurzamingsopgave tot 2030 en daarna vereist een versnelling ten opzichte van het tempo waarin op dit moment verduurzaamd wordt. Voorkomen moet worden dat het instemmingsrecht hierbij onbedoeld een vertragend effect kan gaan hebben. Daarom zal de minister voor VRO een wetsvoorstel indienen waarmee een verduidelijking van het instemmingrecht wordt gegeven. Partijen worden betrokken bij de uitwerking van dit wetsvoorstel.
     
  • De minister voor VRO zet in op vereenvoudiging van de huidige regelgeving door expliciet te maken wanneer een verduurzamingsvoorstel als redelijk dient te worden beschouwd, en door vast te leggen dat huurders die niet reageren op een voorstel niet meegeteld hoeven te worden in de draagvlakmeting.
     
  • De minister voor VRO zal met het eerdergenoemde wetsvoorstel ook voorstellen om het bestaande initiatiefrecht voor huurders te verruimen zodat huurders meer mogelijkheden krijgen om verduurzamingsmaatregelen bij hun verhuurder te initiëren. Belangrijk daarbij is in alle gevallen dat corporaties en huurders in goed gesprek met elkaar zijn en blijven over de keuzes die gemaakt worden rond de verduurzamingsopgave.
     
  • Als vertegenwoordiger van de huurders zet de Woonbond zich ervoor in om voorlichting te geven over het nut en de noodzaak van verduurzaming, en geeft zij steun aan goede verduurzamingsvoorstellen.